‘Boers en klassiek’. Sporen van Ida Gerhardt langs de IJssel

door Mieke Koenen

 

 

 ‘’t Wordt voorjaar langs de IJssel bij Veecaten’. Wie deze openingsregel leest van Gerhardts gedicht ‘Herkenning’ wordt verplaatst naar de provincie Overijssel, maar meteen ook naar een gebied dat in haar werk van wezenlijke betekenis is: de strook tussen rivier en vaste land. Oeverranden, rivieren en rietland worden door haar beschreven om hun eigen, steeds wisselende schoonheid. Maar tegelijkertijd dienen zij als symbolen: stromend water en ritselende rietpluimen zijn zinnebeelden van poëtische inspiratie, stilstaand water van kansen op bezinning en reflectie. Daarnaast is de waterkant één van de grensdomeinen die voorkomen in Gerhardts poëzie, en misschien wel het meest markante. Hier staat het Veerhuis, het gedroomde dichtersverblijf uit een van haar vroege bundels. Hier bevindt zich het overgangsterrein tussen bewoonde en onbewoonde wereld, tussen hier en hiernamaals: je hebt er uitzicht op de oever aan ‘gene zijde’.

 

IJssel en Nijl

In De zomen van het licht (1983), de bundel waarin ‘Herkenning’ is opgenomen, zijn grensgebieden het centrale thema. Je vindt er onder meer gedichten over een kunstwerk dat ontstaat in een overgangsfase of grensdomein. In ‘Herkenning’, een eerbetoon aan de schilder Jan Voerman, is dat de tijd tussen winter en lente: ‘’t Wordt voorjaar langs de IJssel bij Veecaten. / Wolken en licht, in wisselende staten, / scheppen een Voerman: een opalen zwerk, / dat hemels is en Hollands boven mate.’ Voerman (1857-1941) werd geboren in Kampen, waar Gerhardt van 1939 tot 1951 lerares was. De schilder woonde en werkte het grootste deel van zijn leven in het Gelderse Hattem en maakte daar aquarellen van het IJsselland in al zijn verschijningsvormen. De dichteres, die het levenslicht had gezien in het stroomgebied van Maas en Waal (zij kwam uit Gorkum), maakte eindeloze wandelingen in de uiterwaarden van de IJssel.

Een van de natuurverschijnselen die Gerhardt boeiden was het vermogen van trekvogels om elk jaar feilloos de weg naar het verre zuiden te vinden en later weer terug te keren naar hun vroegere standplaats. In een lezing die ze hield voor een schoolklas over haar gedicht ‘Anamnesis’ (uit de bundel De slechtvalk) schrijft ze: ‘Hoe vonden de waadvogels van de IJssel onder Kampen, die maanden op de Nijloevers hadden geleefd, diezelfde IJsselbocht weer terug?’ Geïnspireerd door de ideeënleer van de Griekse filosoof Plato veronderstelde zij dat vogels net als mensen kunnen worden geleid door hun herinnering aan goddelijke en boventijdelijke waarheden. In het gedicht ‘Anamnesis’ beschrijft ze een Egyptische visser die nooit in Kampen is geweest, maar intuïtieve kennis bezit van het IJsselgebied. Hij hoort in zijn bootje op de Nijl het roepen van de roodpotige tureluur en heeft: ‘weet gehad / en niet gehad, van kleuren van een land / dat hij nooit zag: een groene uiterwaard, / de planten op een blauw bazalten krib, / de regenwolken waar het licht door breekt.’

 

Voerman en Verkade

Met kerstmis 1975 schreef Gerhardt een brief aan een van haar oud-leerlingen, de uit Kampen afkomstige acteur Henk van Ulsen. Zij wilde hem bedanken voor een boekje van zijn hand over de Verkadealbums. Die albums met plakplaatjes van het Nederlandse landschap, waarvoor Jan Voerman-junior illustraties hadgemaakt, riepen bij haar een stroom herinneringen wakker. Ze vertelt dat zij als kind had gelogeerd in het huis van Voerman-senior in Hattem. Zij was daar met Johanna Verkade-van Wulfften Palthe, de eerste echtgenote van de acteur Eduard Verkade, die weer een zoon was van de uitgever van de albums: de oprichter van de bekende beschuitbakkerij en waxinelichtenfabriek. Ook in deze terugblik komt het IJssellandschap voor: ‘Het boekje is voor mij boordevol herinneringen: aan de fel begeerde Verkadeplaatjes uit mijn kindertijd, aan Zalk en Hattem, aan het huis van Voerman, waar ik eens met Jo Verkade […] mocht zijn, toen de bewoners vacantie hadden. Aan het vergelijken van plaatjes en bloemen, plaatjes en planten — zwervend langs dijken en wegen, met een loep in de zak, gekocht voor f 0,90, de trots van mijn 10e verjaardag.’

 

Verwoest paradijs

Al in de jaren veertig van de vorige eeuw waarschuwde Gerhardt voor de voortschrijdende aantasting van de natuur in Nederland. In de bundel Kwatrijnen in opdracht (1948) getuigt zij nadrukkelijk van haar bezorgdheid hierover, zoals in ‘Kwatrijn VIII’ dat gaat over de auteur van de teksten in de Verkadealbums: Jac.P. Thijsse. Het eredoctoraat in de wis-en natuurkunde dat de Universiteit van Amsterdam hem had toegekend, was in haar ogen een loos gebaar: ‘De minnaar van de blauwe ereprijs, / de grijze Thijsse, hebt gij naar ’s lands wijs / hoe argeloos stond hij bij uw zwarte hulde / met eer gekroond, verwoest zijn paradijs.’ Aan het einde van de jaren veertig richtte zij zich zelfs tot prinses Wilhelmina. Verontrust stuurde zij een exemplaar op van haar kwatrijnenbundel en schreef op het schutblad een dringende oproep neer: ‘Aanzie, Princes, de bittere ellende / Van ’t Hollandsch landschap, dat wij noodeloos schenden. / Dit boek — geschreven in Gods opdracht — komt tot U: / Moge Uw woord Uw volk tot eerbied wenden.’

In dezelfde periode had Gerhardt zich actief ingezet voor het behoud van een bedreigd stuk natuur in de IJsseldelta bij Kampen. In een felle brief uit 1949 aan de uitgeefster en letterkundige Mea Nijland-Verwey meldt zij hierover: ‘Men kan evengoed een mes door de Nachtwacht van Rembrandt halen als het stadsvuil storten in de eeuwenoude kolken, waar Avercamp en Voerman werkten. En als men een terrein wil opspuiten, doe het dan niet in de broedtijd, zoodat tallooze en tallooze van de zeldzaamste vogels sterven als ratten. – Ik vecht door zoolang ik kan en ben niet verbitterd, wel vastberaden.’ Decennia later, in een brief uit 1971 aan de schilderes Jeanne Bieruma Oosting, denkt Gerhardt nog steeds terug aan het verdwenen natuurschoon: ‘voor en aleer ook dat landschap werd verpest, zag ik –12 jaar lang– in Kampen de terugkeer der trekvogels. Wolken grutto’s en tureluurs: als regenbuiën, als bijenzwermen. En dan zelf in een schuilplaats tussen de uiterwaarden: het altijd weer niet gelovend en grienend in je eentje er midden tussen.’

 

Gedichten als schilderijen

In de brief over de Verkadealbums die Gerhardt schreef aan Van Ulsen, staat de regel: ‘Waarschijnlijk zul je dit schrijven later hebben dan mijn mondelinge dank, want ik hóóp de 2e kerstdag naar Galerie Lenten te gaan.’ Zij was van plan een voordracht van de acteur bij te wonen in Kunstgalerij Lenten te Epse. In deze galerie, ondergebracht in een zwart geteerde boerderij met paarse kozijnen en turkooizen luiken, kwam Gerhardt graag toen zij in Eefde woonde. (Na afloop van haar leraarsbaan in Bilthoven, waar zij na Kampen was gaan werken, had zij een huis betrokken vlakbij Zutphen.) De eigenaar van de Kunstgalerij, Roelof Lenten, vertelde mij dat Ida vaak langskwam: ‘dan zat ze hier ergens stil te mediteren voor een schilderij of liep aandachtig kijkend in alle rust rond’. In 1974 bezocht zij een tentoonstelling van drie schilders: Jeanne Bieruma Oosting, Sam le Poole en Anton Voorzanger. Met Jeanne, een vriendin die een statig buiten in Almen bewoonde, voerde Gerhardt een levendige correspondentie. In een brief van oktober 1974 beschreef ze haar reacties op de in Epse getoonde werken van Jeanne: ‘Ik wìst niet wat ik “het mooiste vond”, om het kinderlijk te zeggen: zelf ben ik óók vele malen naar ‘Interieur’ teruggekeerd. Van je rozen-aquarellen was ik geïmponeerd- ook wel geschrokken. Vooral van dat met de drie rozen, met hun hoge stelen. Je vraagt je dan af of men dit begrijpen zal: want ‘men’ wil natuurlijk altijd dat een roos primair lieflijk is en geen eisen aan ons stelt’. Over de kunstenaar Sam le Poole, woonachtig in Epse, rapporteert ze in dezelfde brief: ‘Mooi werk van Le Poole was er. Jij hebt vast óók staan kijken naar het aquarel van een boerenerfje, met licht, doorbrekend na de regen. Van dat licht dat alweer èven lacht, door tranen heen.’

Dat Gerhardt gefascineerd was door schilderijen blijkt ook uit haar gedichten. Verspreid over haar werk vindt men verzen over Nederlandse schilders zoals Rembrandt, Ruysdael, Seghers en Verster. Omgekeerd zijn haar eigen gedichten om hun indringende beschrijvingen met schilderijen vergeleken. In een brief die de dichteres M. Vasalis haar in 1946 schreef staat te lezen: “De eenvoud en helderheid van uw verzen zijn niet die van een oppervlakkig en ongecompliceerd gemoed, evenmin als men dat van de werken van Vermeer zou kunnen zeggen. De verzen zijn niet lief of vlak en zeker niet gemakkelijk. Ik heb er bewondering en respect voor en wat meer zegt: ik houd ervan.”

 

Hattem en Socrates

In 1977 was er in Kunstgalerij Lenten een tentoonstelling waar een vroeg werk van Voerman een ware blikvanger vormde: een gezicht op Hattem tegen een lichtblauwe wolkenhemel, getiteld ‘De ploeger’. Het feit dat Voerman van boerenafkomst was, sprak Gerhardt zeer aan. In haar belevingswereld stond ‘boers’ voor hard werken, eenvoud en liefde voor de natuur. In een niet-gepubliceerde lezing uit 1977, die berust in haar nalatenschap in het Streekarchief Zutphen, portretteert zij Voerman als een geestverwant van de Griekse filosoof Socrates. Zij noteert dat Socrates gehecht was aan zijn woonplaats Athene en voegt daaraan toe: ‘Waarom zou hij, als het niet nodig was, die stad één dag verlaten? De IJsselschilder Voerman [...] van onvervalste boerenafkomst en sterk als een paard, “Voer” die 16 uur per etmaal kon werken, was hij niet volslagen ontredderd en dagenlang bek-af, als hij een paar dagen uit Hattem weg moest? Als hij niet in zijn eigen bed kon slapen en over het IJsselland de morgen niet kon zien komen? “Ik ben het licht kwijt” was dan zijn bittere klacht. Zo had Socrates, uit Athene weg, kunnen zeggen: “ik ben het zicht kwijt”.’

 

Athene aan de IJssel

In De zomen van het licht figureert Socrates in het gedicht ‘Bij Plato’s Phaedrus’. In dit gedicht worden de afstand tussen Hellas en het IJsselland overbrugd. Er wordt verteld hoe een briljante boerenjongen uit Schokland, ‘die steevast, uren voor òns uur, / bij dauw zijn vaders koeien molk’, de personages uit Plato’s dialoog Phaedrus in de klas tot leven wist te wekken. Al eerder, in Sonnetten van een leraar (1951), tekende Gerhardt het portret van een bolleboos van het Kamper Lyceum: een stoere Urkerknul, die voor het bord ongegeneerd zijn neus ‘met ratelslagen’ ophaalde, maar Plato kon vertalen ‘als een lier’. Zelfs in Gerhardts laatste bundel De adelaarsvarens, die uitkwam toen zij al 83 jaar oud was, verschijnt nog een gedicht over Kamper scholieren: ‘Intocht’. Hier rijdt een sliert kinderen uit Genemuiden en Zwartsluis ‘windomwaaid en met wapperend haar’ op de fiets of zelfs te paard naar school. Als de dichteres hen vanaf de IJsselkade ziet naderen, moet ze denken aan de stoet jonge processiegangers en hun paarden die zijn afgebeeld in het fries van de Atheense Parthenontempel. ‘Boers en klassiek’ constateert zij, en reikt ons met deze woorden een rake karakteristiek van haar eigen dichtwerk aan. Een dichtwerk waarin schepen op de IJssel al ‘in den beginne’ (in Het veerhuis uit 1945) worden gezien door de ogen van de Romeinse dichter Lucretius, die over de zee zei dat zij bloeit van zeilbevleugelde schepen: ‘Schepen als zeilende bloemen / over de zilv’ren rivier, — / mag ik gezegend mij noemen, / ’t rijkste ontwaarde ik hier.’

 

 

Leessuggesties: Ida Gerhardt Verzamelde gedichten, Amsterdam 200211, Ida Gerhardt, Anamnesis, bezorgd door A. ten Bosch en B. Hosman, Amsterdam 1998. Mieke Koenen, Stralend in gestrenge samenhang. Ida Gehardt en de klassieke oudheid, Groningen 2002. Een bloemlezing uit Gerhardts brieven, bezorgd door Ben Hosman en Mieke Koenen, is onder de titel ‘Courage’ in september 2005 verschenen bij Uitgeverij Athenaeum, Polak & van Gennep.