Anneke Reitsma

 

W.B. Yeats (1865-1939):

    Er is een barre schoonheid geboren

 

DE NEGENTIENDE EEUW

EN DAARNA      

 

Al keert het grote zingen niet terug,

wij putten vreugd uit wat we hebben:

het ratelen van kiezels op de kust

als de golven ebben.

 

W.B. Yeats / Vertaling: J. Eijkelboom [1]

 

 

Wie begint te lezen in het werk van W.B. Yeats en een enigszins lange adem heeft, maakt een reis van de voor-christelijke Keltische cultuur - via Byzantium - naar het verdeelde Europa van de 20ste eeuw, waarin ook Ierland geteisterd werd door interne spanningen. Maar Yeats ver­strekt ons wel een retourbiljet, want hij heeft nooit afstand willen doen van die oude cultuur, zoals die ooit door barden en druïden in ere werd gehouden.  Zo schrijft hij in zijn laatste gedicht “Onder Ben Bulben” (waaraan hij nog tot vlak voor zijn dood gewerkt heeft): “Ierse dichters, leer uw stiel, / Zing met vakmanschap en ziel, / Veracht het ras dat nu regeert / En elke norm van vorm negeert, / Hun hart, hun hoofd, een lege kooi, / Het laag product van laag allooi. / Zing van boerenstand en haard / En van buitenlui te paard, / Vrome monniken en later / Van geil dronkemansgeschater; / Zing van heer en dame blij / Die gekneed zijn in de klei / Zeven trotse eeuwen lang.” [2]                 

 

The land of heart’s desire

 


In feite is “Onder Ben Bulben” één lange, bezwerende oproep aan de Ierse dichters om zich weer van hun wortels - en dus ook van hun bestemming - bewust te worden. Tegelijk was Yeats realist genoeg om te weten: “geen werk, al is het groot / wist ooit een vuile lei weer schoon.” (“De man en de echo”). Maar “zeven trotse eeuwen” - die we ruwweg kunnen traceren tussen het jaar 100, toen de meeste Keltische stammen zich in Ierland geconcentreerd hadden en de onderlinge twisten wat waren uitgewoed, en het jaar 800, toen de Vikingen binnenvielen - laten zich niet achteloos terzijde schuiven.

Bovendien had St. Patrick, toen hij in de vijfde eeuw - veel eerder dan elders in Europa - aan zijn kersteningsarbeid in Ierland begon, de wijsheid om niet al te bruut in te grijpen in de Keltische spiritualiteit, waarbij zo’n beetje elke boomholte kon gelden als verblijfplaats van   feeën en elfen. Het bovennatuurlijke was volstrekt organisch met het landschap verweven. Heiligheid huisde in elke boomstronk of steen. Het is dan ook veelzeggend dat St. Patrick de shamrock (de driebladige klaver) tot uitgangspunt nam om het mysterie van de goddelijke drieëenheid aan de boerenbevolking te verklaren. Want ondanks - of juist dankzij - het harde boerenbestaan was er een onderstroom van diepe aanbidding voor Moeder Aarde, die als vruchtbaarheidsgodin werd vereerd. De volksmond sprak over Ierland  als Moeder Erin, van wie sommige karaktertrekken moeiteloos geprojecteerd konden worden op de later geïntrodu­ceerde Maria-figuur. In een dergelijke leefwereld is het bijna onmogelijk om onderscheid te maken tussen het profane en het sacrale. Ook in de visie van Yeats kon “geil dronkemansge­schater” heel goed bestaan naast de vrome arbeid van de monniken. Natuur, cultuur en religie vormden ooit een drievoudig klaverblad.                                      

 

Die samenhang ontdekte Yeats eigenlijk spelenderwijs en al heel vroeg. Hij werd weliswaar geboren in Dublin, maar hij bracht een groot deel van zijn jeugd door bij zijn grootouders in Sligo, aan de Atlantische kust. Het is de streek die Yeats naderhand inspireerde tot The land of heart’s desire: het land van de eeuwige jeugd, waar niemand oud wordt of bitter van tong. Het is een gebied vol tegenstellingen: aan de ene kant de ruige berg Ben Bulben, aan de andere kant lieflijke meren, met soms een eilandje erin (“Het meereiland van Innisfree”). Daar ontdek­te Yeats de vitaliteit van de oude Keltische volksverhalen, die onder de boerenbevolking nog heel levendig werden uitgewisseld. Fantasie en realiteit liepen daarbij moeiteloos in elkaar over. Zo kwam Yeats in Sligo te weten dat zich op een van de flanken van Ben Bulben een witte, vierkante steen bevond, die de toegang vormde tot elfenland. Na zonsondergang zwaaide die deur open en kwamen de fairies naar buiten. Menigeen had ze gezien.[3]

Als Yeats later in een lang gedicht het toekomstige Ierland beschrijft, grijpt hij in feite terug op een cultuurideaal, waarin - zoals Ida Gerhardt het eens heeft geformuleerd - “vers, muziek, en dans nog één” waren.[4]  Yeats zegt het zo:


 

Ah, fairies, dancing under the moon,

A Druid land, a Druid tune!

While still I may, I write for you

The love I lived, the dream I knew. [5]

 

Deze regels voldoen natuurlijk geheel en al aan het beeld van de romantische Yeats, die met een nostalgische blik teruggrijpt op een groots verleden. Toch reiken Yeats´ ambities verder. Hij begint zich af te vragen of hij niet een nieuwe Prometheus-mythe zou kunnen scheppen, met Patrick of de legendarische Oisin in de rol van Prometheus en met de machtige Ben Bulben in plaats van de Kaukasus. De volgende overweging is daarbij voor Yeats doorslagge­vend: “Gaat niet de eerste eenheid van alle volkeren terug op een mythologie die hen vereent met steenrots en heuvel? (...) Misschien zouden deze beelden, eenmaal geschapen en verbon­den met steen en rivier, zelfs uit zichzelf gaan bewegen, en tot leven komen, krachtig en zelfs onstuimig.” [6]  Voorwaar een Orphische kunstopvatting!   

 

Homerisch

 

Yeats wil niets minder dan een Ierse Renaissance bewerkstelligen, maar de manier waarop hij dat doet, is opmerkelijk. Hij kiest er niet voor om zogenaamd hogere kunst bij het volk te brengen, want het volk heeft in zijn ogen die ‘verheffing’ helemaal niet nodig. Hij wil juist de mondelinge volkscultuur weer onder de aandacht van de hogere klassen brengen, via een levendige verbinding van literatuur, muziek, voordracht en dans. Daarbij zet Yeats hoog in, want hij hoopte dat dergelijke voorstellingen “uiteindelijk de politieke hartstocht van het volk zozeer [zouden] verdiepen dat allen, beeldend kunstenaar en dichter, ambachtsman en dagloner een gemeenschappelijk bestel zouden accepteren.” [7]  Volkskunst als fundament en bindmiddel van een krachtige cultuur: met deze Homerische ambitie gaat Yeats aan de slag. Iets daarvan moet Ida Gerhardt herkend hebben, toen zij - in “Ultima Thule”- over Ierland zei: “Homerisch is dit land. Er gaat / van het toevallige niets om.”

 


Gerhardt en Yeats hebben elkaar nooit ontmoet, maar ik ben er - net als Marie van der Zeyde - van overtuigd dat de latere Yeats en de latere Gerhardt elkaar heel goed verstaan zouden hebben. [8]  Beiden hebben een scherp oog voor de symbiotische relatie tussen natuur en kunst, al maken de steenrots en heuvel van Yeats bij Gerhardt uiteraard plaats voor het rivierenland­schap rond Gorcum. In het gedicht “Biografisch I” keert Gerhardt terug naar een vroege jeugdervaring, waarin zij een wandeling met haar vader maakt. “Vijf jaren is oud genoeg”, zegt het gedicht. Vader Gerhardt heeft haar zojuist een visje aangewezen en pas als de dochter de naam gehoord heeft - een grondel - staat er: “en ik zàg hem, zwart in de sloot - // legde hij het woord in mij te vondeling, / open en bloot. // Waarvoor ik moest zorgen, / met mijn leven moest borgen: // totaan mijn dood.” [9]  Ogen hebben naamgeving nodig om werkelijk te kunnen zien. Als geen ander is de dichter zich ervan bewust dat naamgeving onze zintuigen activeert, ook in spirituele zin. De ervaringen van Yeats bij Sligo zijn van dezelfde orde.

Karakteristiek voor beide dichters is ook hun historisch besef, dat ten diepste een besef van voorouderschap is. Yeats zoekt graag aansluiting bij de Keltische en Byzantijnse traditie, al was het alleen maar omdat in de cultuur van Byzantium een wonderlijke synthese heeft bestaan van Oost en West. Bepaalde Keltische stammen zijn trouwens afkomstig van het Indiase subcontinent, hetgeen verklaart waarom een Oosters fenomeen als reïncarnatie ook deel uitmaakt van de Keltische religie. Voor Gerhardt ligt het ijkpunt van onze West-Europese beschaving altijd weer in de klassieke oudheid. Het is dan ook veelzeggend dat Gerhardt Ierland - waarmee zij kennis maakte in de jaren zestig van de vorige eeuw - niet alleen met Homerus in verband brengt (elders door haar de “zanger der zangers” genoemd), maar ook met Vergilius. In het lange gedicht “Bij dag en nacht” vertelt Gerhardt hoe zij, werkende aan de vertaling van het Bijenboek uit de Georgica, soms droomde

 

dat ik Vergilius zag,

het pad afkomend: een schroomvallig man,

wat boers en tevens zeer voornaam: geheel

de dichter van dat ingehouden vers:

rijk in mijn werk, in stilte teruggetrokken.’

Hij ging voorbij, hij zag niet op of om;

tòch dacht ik dat hij van mijn arbeid wist,

en dat ik hem niet vreemd was. - En reeds toen

heeft het Ultima Thule in één vers

van hèm, Vergilius, in mij gewekt

een raadselig heimwee naar die grijze kust,

dat nevelige eiland over zee

dat Eyre heet; - en waar ik heb gewoond,

waar ik mij met mijn opdracht bergen mocht.

 


Maar: adeldom verplicht. Yeats sprak in dit verband wel van ‘gepekelde verzen’: “al wat persoonlijk is, rot al gauw; het moet in ijs of zout gelegd worden ... Oud zout - lees: traditione­le vormgeving - is de beste verpakking.” [10]  Ook Gerhardt hechtte zeer aan een strakke vorm­geving. Zoals een boer het land bewerkt (en kennis heeft van grondsoorten, weersinvloeden en produkten), zo ook moet de dichter de taal bewerken en heel dat instrumentarium tot in de finesses beheersen. De dichter moet - zoals Auden het formuleerde in zijn In Memoriam-gedicht voor Yeats - “een boer van het vers” zijn. Gerhardt spreekt zich in vergelijkbare termen uit, als zij in het gedicht “Georgica” zegt:

 

Ik ben een tuinman, niets dan dat,

met aarde en met mest bespat;

(...)

 

Ik wied, ik volg mijn diepste wet

als ik de naakte zaailing zet;

ik richt mij op, ik buig mij neer.

Een tuinman ben ik en niets meer.

 

Voor dat koppige werk (labor improbus heet het bij Vergilius) moet de dichter zich niet te goed voelen. Alleen dan kan een vers ontstaan, waarvan - aldus Gerhardt - “de geheime oorsprong nergens is verloochend, maar dat de dichter nochtans gestalte heeft mogen geven: op een volmaakt persoonlijke, volstrekt eigen wijze. En dàt hij dat dan, op het bepalende ogenblik, volledig ‘in de vingers heeft’ - dàt zou ik poëtisch vakmanschap willen noemen.” [11]

De levensloop van beide dichters mag dan nogal verschillend zijn - Yeats heeft zich veel meer in het publieke domein bewogen dan Gerhardt en heeft zich ook op meerdere terreinen gemanifesteerd - op essentiële punten waren zij verwante dichterspersoonlijkheden.

 

Pelgrimszielen

 

Uiteindelijk groeit Yeats, de ietwat eenzelvige aristocraat, uit tot een sprookjesverzamelaar (hij trekt als een soort Ierse Grimm rond om de oorspronkelijke verhalen op te tekenen), een gedreven theatermaker (hij richt in Dublin het Abbey-theater op en schrijft daar tal van toneel­stukken voor), een nationale figuur met een Europese blik, senator in de Ierse Vrijstaat en uiteindelijk zelfs tot Nobelprijswinnaar, omdat “zijn altijd geïnspireerde poëzie” - aldus de jury - “op een zeer artistieke wijze uitdrukking geeft aan de geest van een heel volk”. [12]  Wezenlijk voor die artistieke uitdrukkingsvorm is de muzikale cadans van Yeats’ poëzie. Zelf vond hij “Het meereiland van Innisfree” (ontstaan in Londen, waar het geluid van een fontein hem onmiddellijk terugbracht naar de streek rond Sligo) “het eerste lyrische gedicht met iets van mijn eigen muziek in het ritme”:


 

Ik wil hier alles laten en heengaan, want nacht en dag

Hoor ik hoe het water aan de oevers fluistert;

Ik hoor het langs de weg, of lopend langs de huizen,

Ik hoor het in het diepst van wat ik ben. [13]

 

Deze veelzijdigheid is ongetwijfeld een uitvloeisel van de genialiteit van Yeats’ persoonlijkheid, waarin allerlei tegenstellingen naast elkaar konden bestaan. Yeats had een Nietzscheaanse behoefte aan conflict, want zonder conflict geen drama en zonder drama geen kunst. Maar daarnaast beschikte hij over het wonderlijke vermogen om op het juiste moment de juiste mensen te ontmoeten. Soms denk ik wel eens dat die twee dingen samenhangen. Genialiteit is immers aantrekkelijk voor mensen die daar niet bang voor zijn. Dat gold in elk geval voor twee vrouwen in Yeats’ leven: Lady Gregory (1852-1932) en Maud Gonne (1866-1953). De eerste was een gastvrije en intelligente mecenas, bij wie Yeats altijd terechtkon op haar landgoed te Coole, bij Galway, en die hem royaal steunde in zijn activiteiten voor het Abbey-theater. De ander werd de grote liefde van zijn leven, zonder wie we tal van klassieke liefdesgedichten hadden moeten missen. In het gedicht “Geen tweede Troje” vergelijkt Yeats haar met Helena, om wie ooit de bloedige oorlog werd uitgevochten die Homerus - met zijn Ilias en Odyssee - in ons collectieve geheugen verankerd heeft:

 

Hoe zou haar geest, door adel uitgepuurd

Tot simpel vuur, voor vrede kunnen pleiten,

Zij die zo mooi is als een pijl gestuurd

Uit een gespannen boog, hoog, eenzaam, strak?

Dat is niet meer van deze tijd. Vandaar,

Wat kon zij doen? Een tweede Troje ontbrak

Toch om in vlammen op te gaan voor haar? [14]

 

Dit ene voorbeeld geeft al aan dat Yeats er een meester in was om zijn eigen levensgeschiede­nis in een mythische setting te presenteren, waarbij hij beurtelings putte uit de klassieke en de Keltische cultuur. Deze literaire stilering was natuurlijk ook een poging om de spanning tussen leven en kunst te neutraliseren.

Al bij hun eerste ontmoeting - begin 1889, in Londen - is Yeats compleet van slag: “ze [leek] een klassieke verpersoonlijking van de lente, alsof de Vergiliaanse lofprijzing ‘Zij heeft de tred van een godin’ voor haar alleen geschreven was. Haar aanzien was lichtgevend, als dat van appelbloesem waar het licht doorheen valt, en in mijn herinnering zie ik haar die eerste dag staan naast een grote berg van die bloesems in de vensterbank (...). Het zou nog jaren duren eer ik een blik kon werpen op de persoon die schuilging achter zoveel schoonheid en zoveel


energie.” [15] 

Ondanks tal van huwelijksaanzoeken lukte het Yeats niet Maud Gonne aan zich te binden, maar op spiritueel en cultureel gebied werden zij bondgenoten. Zo speelde zij de hoofdrol in zijn toneelstuk Cathleen ni Houlihan, iets wat mede dankzij haar acteerprestaties en ravissante verschijning voor uitverkochte zalen zorgt in het Abbey-theater. Zij was de belichaming van aristocratische allure en volkse vrijmoedigheid ineen. Bovendien was zij - net als Yeats - een veelkantige persoonlijkheid. Enerzijds voelde zij zich aangetrokken tot occulte zaken, variërend van Madame Blavatsky tot een enigszins obscuur gezelschap van Rozenkrui­sers. [16] Ook nam zij deel aan spiritistische experimenten. Anderzijds was zij een militant voorvechtster van de Ierse Onafhankelijkheidsbeweging, waarbij geweld - met name in de Irish Republican Brotherhood (de voorloper van de latere IRA) niet geschuwd werd. Ze trouwde uiteindelijk met de militair John MacBride, tot wanhoop van Yeats, die maar niet begrijpen kon dat zij een “dronken, opgeblazen kinkel” verkoos boven een dichterlijke natuur als de zijne. Tegen deze achtergrond krijgt het volgende, klassiek geworden gedicht des te meer reliëf:

 

WANNEER JE OUD BENT

 

Wanneer je oud en grijs bent en vol slaap

en knikkebolt bij ’t vuur, neem dan dit boek ter hand                      

en lees het traag, droom van de zachte blik die eens

je ogen hadden, met diepe schaduwen omrand.

 

 

Hoevelen hielden niet van je soms blije gratie

en hielden van je schoonheid, met liefde goed of kwaad;

slechts één man beminde de pelgrimsziel in jou,

hield van ’t verdriet in je veranderend gelaat;

 

en fluister, gebogen naar de gloeiende staven,

een weinig droef, hoe liefde vluchtte naar de verte

en schreed over de bergen daar omhoog en het

gezicht verborg tussen een menigte van sterren. [17]

 

Cesuur

 

Literair gesproken was Maud Gonne, de tegenstrevende muze, voor Yeats een zegen, iets waar ze ook wel enigszins mee koketteerde. “De mensen moesten me dankbaar zijn,” zo schreef ze in een van haar brieven, “dat ik niet met jou wil trouwen. Nu schrijf je tenminste


mooie gedichten.”[18]  Zelf schrijft Yeats in zijn dagboek: “Vandaag bedacht ik dat P.I.A.L. [19] nooit echt iets begrijpt van mijn plannen, of aard of ideeën. Toen kwam de gedachte op - wat doet het ertoe? Hoeveel van het beste dat ik gedaan heb en nog doe is niets anders dan de poging mijzelf aan haar uit te leggen? Als zij het begreep zou ik geen reden hebben om te schrijven en men kan nooit genoeg redenen hebben om te doen wat zoveel inspanning vergt.” 15 

Later verwerkte hij deze gedachtegang in het gedicht “Woorden”: “Ik dacht een tijd geleden: / ‘Mijn lief kan niet begrijpen wat / ik gedaan heb of wat stand hield / in dit blind bitter land.” Maar misschien zou een begripvolle reactie nog desastreuzer zijn geweest: “Ik had het pover woord misschien verstoten / en was content geweest met leven.” Ook dàt is Yeats: binnen het bestek van één gedicht met een superieure ironie wisselen van register.

 

In politiek opzicht zorgt Maud Gonne eveneens voor ruim voldoende conflictstof. Over het doel - de Ierse onafhankelijkheid - zijn beide pelgrimszielen het wel eens, maar over de te volgen strategie allerminst. Maud Gonne, die een diepe afkeer van de Britten heeft, pleit voor militante acties om het bestel te ontwrichten. Yeats daarentegen vindt haat jegens de Engelsen (waarbij zijn Anglo-Ierse afkomst mogelijk een rol heeft gespeeld) een verkeerde drijfveer. Het gebruik van geweld, waarbij ook onschuldige burgers het slachtoffer zouden kunnen worden, keurt hij principieel af. Bovendien hoopt hij diep in zijn hart nog altijd dat een krachtige culturele identi­teit een vreedzame en breed gedragen omwenteling bewerkstellingen kan. Die hoop wordt op Paasmaandag 1916 definitief de bodem in geslagen: “All changed, changed utterly: / A terrible beauty is born.” (“Alles veranderd, veranderd uitermate: / er is een barre schoonheid gebo­ren.”).

 

Stefan Zweig (1881-1942) heeft in De wereld van gisteren op indringende wijze beschreven hoezeer de Eerste Wereldoorlog een diepe cesuur getrokken heeft in de Europese beschaving. Maar hij blikt ook terug. En het is voor de Euro-sceptici onder ons een bijna wereldvreemd geluid om hem te horen zeggen: “Ik heb ons werelddeel nooit méér liefgekregen dan juist in die laatste dagen voor de Wereldoorlog; ik heb nooit vuriger op de eenwording ervan gehoopt en nooit overtuigder aan de toekomst ervan geloofd dan in die tijd, toen wij meenden dat wij een nieuw morgenrood zagen aanbreken. In werkelijkheid is dat al de vuurgloed van de naderende wereldbrand geweest.” 16 


Nu werd Zweig geboren in Wenen, de hoofdstad van de Habsburgse monarchie, die het culturele centrum van het toenmalige Europa vertegenwoordigde. En het is exact dát middel­punt, met zijn joodse en christelijk-humanistische wortels, waarvan Yeats later schrijven zou: “Things fall apart; the centre cannot hold ”. Maar in de eerste jaren van de 20ste eeuw leek dat ondergangsscenario nog heel ver weg: “Er was een opbloei begonnen,”aldus Zweig, “ die in alle landen van Europa haast in dezelfde mate te voelen was (...). Nog nooit was Europa sterker, rijker en mooier geweest, en nog nooit had het vaster geloofd in een toekomst die nog beter zou zijn.”

 

Paasopstand

 

In Ierland lagen de zaken natuurlijk wel wat anders. Alleen al qua ligging bevond het land zich aan de periferie van Europa en het kwam de Britten heel goed uit om aan die status van “Ultima Thule” zo weinig mogelijk te veranderen. Ierland was in het Westen wat Rusland voorbij de Oeral in het Oosten was: een achtergebleven uithoek van Europa. Bij Yeats is dan ook nergens een  lofzang op de eigen tijd te vinden. Liever zeilde hij terug naar Byzantium: “Er is geen zangschool ook dan wat men vindt / bij monumenten van een magnifieke makelij; / en daarom ben ik scheep gegaan en kom / tot de gewijde stad Byzantium.” 17

Toch koesterde zelfs Yeats de gerechtvaardigde hoop op een betere toekomst, want in 1913 had het Britse parlement besloten om de Ieren Home Rule te verlenen. Toen de oorlog uitbrak, werd het betreffende wetsvoorstel opgeschort. De Ierse bevolking had hier in het algemeen wel begrip voor (tal van vrijwilligers meldden zich aan bij het Britse leger), maar het zette bij een aantal radicale vrijheidsstrijders kwaad bloed. Op Paasmaandag 1916 bezetten zo’n zevenhonderd republikeinen het hoofdpostkantoor van Dublin en roepen eenzijdig de Ierse Republiek uit. Ze hebben een driekleurige vlag bij zich: groen (voor Ierland), oranje (voor het protestantse Noorden) en wit (voor de vrede daartussenin). Maar al na een dag of vijf worden de rebellen door Britse troepen weggevoerd, uitgejouwd door de plaatselijke bevolking. Dan begaat de Britse regering de kapitale fout om vijftien leiders van de opstand met veel ophef te execute­ren. Onder hen is ook Major MacBride (“ook hij is veranderd, volkomen / veranderd in zijn diepste wezen: / er is een barre schoonheid geboren.”).


Dit buitenproportionele machtsvertoon doet de publieke opinie kantelen. Zelfs de gematig­de Yeats (die geen voorstander van de actie was) eert de gevallenen en creëert aan het slot van zijn huiveringwekkende gedicht over de Paasopstand een geheel eigen namensymfonie:

 

Wij kennen hun droom; het is genoeg

te weten dat ze droomden en dood zijn; als

wat hen opjoeg nu eens

een overmaat aan liefde was?

Ik schrijf het uit in een vers:

MacDonagh en MacBride

en Connally en Pearse

zijn nu en in de komende dagen,

waar ook het groen wordt uitverkoren,

veranderd, veranderd uitermate:

er is een barre schoonheid geboren. 18

 

Geen stijlfiguur paste Yeats zo goed als de paradox. Hij had daar een heel ingewikkelde theorie voor ontwikkeld, die er zo’n beetje op neerkwam dat elk mens ook zijn tegendeel (zijn ‘masker’) ontdekken en ontwikkelen moest. Dàt hadden de rebellen in de straten van Dublin in elk geval waar gemaakt: dichters waren soldaten geworden, geheel in de lijn van Oisin en Cuchulainn. “Een goed soldaat heeft een groot kinderhart”, zei Nijhoff. 19  Zelden kunnen zij de gevolgen van hun daden overzien.

Toch krijgt die barre schoonheid naderhand nog een heel navrante nasleep. Weliswaar krijgt Ierland in 1921 een dominion-status, maar het is onduidelijk of ook het Noorden deel uitmaakt van deze Ierse Vrijstaat. Over die vraag breekt in 1922 een bloedige Burgeroorlog uit, wat voor Yeats - en niet alleen voor hem - een traumatische ervaring was. Ook in Ierland zélf had het midden geen stand weten te houden: “Alles valt uiteen; het centrum houdt niet stand; / (...) De besten missen alle overtuiging, terwijl de slechten / Vol hevige begeerte zijn.” (“De wedergeboorte”).

 

Honingbijen

 

Over deze zwarte bladzij in de Ierse geschiedenis, waarvan de sporen nog altijd zichtbaar zijn, schreef Yeats in zijn mémoires:

 


Ik zat in mijn huis in Galway gedurende de eerste maanden van de burgeroorlog; de spoor­wegbruggen waren opgeblazen en de wegen waren gebarricadeerd met stenen en bomen. De eerste week waren er geen kranten, geen betrouwbaar nieuws, we wisten niet wie er had gewonnen of  verloren, en zelfs toen er weer kranten verschenen wist je nooit wat er gaande was aan gene zijde van de heuvel of de bomenrij. Van tijd tot tijd kwamen er Fords voorbij

met rechtopstaande doodkisten tussen de zitplaatsen, en soms hoorden we ’s nachts een

ontploffing, en één keer hebben we overdag de rook gezien afkomstig van een groot huis bij ons in de buurt dat in brand stond. Zo moeten mensen hebben geleefd gedurende tal van roerige eeuwen. Men voelde een overweldigend verlangen niet ongelukkig of verbitterd te worden, niet alle zin voor het schone van de natuur te verliezen. In een gat naast mijn raam had een spreeuw genesteld en in de stemming van het ogenblik schreef ik de volgende regels:

 

 

De bijen bouwen in een spleet

Tussen los metselwerk, en daar

Brengen moedervogels larven en vliegen.

Mijn muur brokkelt af; honingbijen,

Bouw in het lege huis van de spreeuw.

                   

Wij zijn ingesloten, onze onzekerheid

Zit achter slot en grendel; ergens

Wordt een man gedood of een huis verbrand,

Maar er bestaat geen duidelijk verband:

Bouw in het lege huis van de spreeuw.

 

(...) Weldra gebeurde er iets vreemds. Ik begon honing te ruiken op plaatsen waar helemaal geen honing kon zijn, aan het eind van een stenen gang of bij een winderige bocht in de weg, en met die geur gingen steevast bepaalde gedachten gepaard. 20 

 

Deze passage werpt een bijzonder licht op Yeats’ dichterlijke werkwijze. Het gedicht suggereert dat de bijen, net als bij Vergilius, aangetrokken zijn door “een muziek van brons”, maar nu in de vorm van oorlogsgeweld en een afbrokkelende muur. 21  De herhaalde oproep aan de bijen - waarbij een beroep wordt gedaan op hun ingenieuze bouwcapaciteiten - fungeert als tegenwicht voor de onttakelde buitenwereld. De bijen - die orde en stabiliteit symboliseren - moeten het verband herstellen. Maar van oudsher worden de bijen óók in verband gebracht met het werk van de dichter. Zo dankte Pindarus zijn lyrische welsprekendheid aan het feit dat de bijen zijn